Op een dag besloot mijn kat Fischer weer te lopen

Op een ochtend besloot mijn kat Fischer weer te lopen. Ze had dagenlang gesukkeld. Haar achterpoten weigerden te dragen wat ze altijd gedragen hadden. De dierenarts haalde zijn schouders op, die schouderophaling die je leert lezen na jaren in de zorg, die zegt dat de wetenschap haar grens heeft bereikt en de rest aan het leven overlaat.

Die ochtend behandelde ik patiënten. Maar Fischer bleef in mijn hoofd. En terwijl mijn handen op de rug van een patiënt lagen, dacht ik aan een oud gedachte-experiment: een kat in een doos, tegelijk levend en dood, tot iemand kijkt.

Ik stelde me Fischer niet voor zoals ze was, maar zoals ze kon zijn: lopend, springend, wassend in het zonlicht. Niet als wens. Als mogelijkheid die mocht bestaan. Mijn handen bij de mens, mijn aandacht wijd open. Toen de sessie voorbij was, liep Fischer door de woonkamer. Langzaam, maar vastberaden, de trap op. Ze leefde nog anderhalf jaar in goede gezondheid.

Ik denk niet dat ik haar hersteld heb. Ik weet niet eens zeker of wat ik deed er iets mee te maken had. Maar ik was erbij. En zij liep weer. Geen verklaring. Alleen een vraag die ik sindsdien niet meer loslaat: wat weten de handen eigenlijk en wat verdwijnt er als we dat niet meer weten?

[portret van de échte Fischer, met lichte AI-bewerking (OpenAI): mens en machine in samenspel, zoals we het ook in ons werk niet verbergen.]

Fischer is het begin van ‘De Kat in de Behandelkamer’, en van de vraag waar Veerle en ik sindsdien aan bouwen in de ‘Van Hand naar Geest Academie’.